Seksuele en genderminderheden

Français

Recep Tayyip Erdoğan leidt Turkije sinds 2004 en is mettertijd een steeds populistischere, sociaal-conservatievere en autoritairdere koers gaan varen. Sinds een referendum over de Grondwet (2017) zijn de meeste uitvoerende en wetgevende machten naar het presidentschap overgeheveld. Veel checks and balances in de institutionele architectuur van Turkije zijn weggenomen.

In tegenstelling tot het absolute karakter van het presidentiële systeem is de maatschappij zelf diep verdeeld langs allerlei breuklijnen. Het vertrouwen en de tolerantie ten opzichte van als dissonant ervaren individuele burgers en groepen zijn stelselmatig aan het dalen. Er is een stijgend probleem van haatspraak en –criminaliteit.

Mensen die behoren tot seksuele en genderminderheden worden als afwijkend ervaren. Er is sprake van antipathie vanuit de samenleving en van een slecht sociaal klimaat voor hen. De meeste delen van Turkije zijn immers diep conservatief over deze thema’s. Regelmatig zijn er druk bijgewoonde protestmarsen waarin de organisatoren en deelnemers oproepen om gezinnen, kinderen en toekomstige generaties te beschermen tegen wat ze propaganda of socio-cultureel terrorisme noemen. Universiteiten zijn geen open omgevingen meer voor hen. Ook de publieke sector voert een stigmatiserende agenda tegen seksuele en genderminderheden.

President Erdoğan zelf is de laatste jaren radicaler geworden over seksuele en genderminderheden. Hij heeft verklaard dat LGBTI-rechten geen mensenrechten zijn. Hierin wordt hij gevolgd door andere belangrijke pro-Erdoğan politici. Diyanet, het ministerie van Godsdienst, spoort moslims aan om het zogezegde kwaad van homoseksualiteit te bestrijden, terwijl de media de stigmatisering en het haatdiscours in de maatschappij versterken. De laatste jaren is er sprake van een stijging van het aantal geweldincidenten, gevallen van agressie en van discriminatie (arbeids- en woningmarkt, school- en zorginstellingen) tegen seksuele en genderminderheden. Vooral trans personen zijn regelmatig het doelwit van ernstige agressie (moord) en discriminatie. De stigmatisering door de samenleving heeft een negatieve impact op het leven en de mentale gezondheid van deze minderheden en heeft een angst gecreëerd in hun gemeenschappen.

Er zijn geen wetten die seks tussen mensen van hetzelfde geslacht verbieden of ander gedrag dat te maken heeft met seksuele of genderkenmerken expliciet strafbaar stellen. Wel worden soms vaag omschreven wettelijke voorzieningen over inbreuken tegen de openbare moraal, bescherming van het gezin of tegennatuurlijke seksuele handelingen ingeroepen als wettelijke basis om gevallen van politiegeweld en van discriminatie te verantwoorden. Bovendien lekt de regering de laatste jaren regelmatig wetsvoorstellen die de rechten van seksuele en genderminderheden bedreigen. Deze zijn vooralsnog niet in voege getreden.  

Voor alle minderheden in Turkije die agressie en discriminatie vrezen zijn de beschermingsmogelijkheden door de veiligheidsdiensten en het gerecht beperkt te noemen. Niet alleen de democratie is in een staat van crisis verzeild maar er is sprake van een erosie van de rechtsstaat, de basisvrijheden en de burgerlijke vrijheden. Turkije beschikt over een wettelijk kader dat basisprovisies bevat voor de burger- en grondrechten maar de praktijk ervan is niet in lijn met de internationale standaarden. Een aantal verordeningen die de basisrechten tijdelijk, voor de duur van de noodtoestand (2016-2018), moesten inperken zijn permanent geworden.

Er is geen specifieke wetgeving voorhanden die bescherming voorziet tegen misdrijven en discriminatie op grond van seksuele geaardheid of genderidentiteit. Bijgevolg is er geen jurisprudentie ontwikkeld tegen deze specifieke vormen van (haat)criminaliteit. Er is geen wetgeving die een huwelijk, een geregistreerd partnerschap of wettelijk samenwonen mogelijk maakt voor koppels van hetzelfde geslacht. Trans personen kunnen hun naam en genderidentiteit laten wijzigen.   

Berichten over politieoptredens tegen seksuele en genderminderheden gaan hoofdzakelijk over gewelddadige interventies en willekeurige arrestaties in het kader van de sinds 2015 verboden manifestaties, optochten of protestacties. Er zijn ook sporadische berichten over geweld en willekeurige arrestaties van voornamelijk trans personen in de privésfeer. In beperkte gevallen onderneemt de politie actie om de rechten van slachtoffers van haatcriminaliteit tegen seksuele en genderminderheden te laten gelden. Er is sprake van een discriminatoire, beschuldigende houding van de politie die de verantwoordelijkheid voor de ondergane agressie bij het slachtoffer legt. Parketmagistraten zijn vaak niet bereid om daders van homofoob geweld te vervolgen. Op grond van artikel 29 van de Strafwet kunnen geweldplegers in aanmerking komen voor strafvermindering indien zij tot geweld zijn aangezet door een zogenoemde ongerechtvaardigde provocatie.

Slachtoffers van haatcriminaliteit hebben theoretisch recht op gratis juridische bijstand maar hierover is weinig informatie beschikbaar en de motivatie om deze bijstand te vragen aan het homofobe gerecht is laag. Verder is er sprake van een gestage uitholling van de slagkracht van de weinige burgermaatschappijorganisaties die juridische bijstand bieden aan seksuele en genderminderheden. Overheidsinstellingen, zoals de Human Rights and Equality Institution of de Ombudsdienst, nemen geen klachten van seksuele en genderminderheden in behandeling.  

Organisaties uit de burgermaatschappij zijn in staat om allerlei hulp en informatie te bieden aan personen die hier om vragen, maar de laatste jaren vormen zij een doelwit van de overheid die hen er onder meer van beschuldigt buitenlands geld te ontvangen, westerse ideologieën te verspreiden of de nationale waarden te ondermijnen. Ze worden geconfronteerd met gerechtelijke pesterijen, bedreigingen, intimidatie, sluitingen en complexe auditprocedures.

Personen die tot de seksuele en genderminderheden behoren, proberen in de gegeven omstandigheden hun genderidentiteit en seksuele geaardheid doorgaans verborgen te houden. Enkel in een paar grote steden zijn er wijken waar zij wel open en zichtbaar kunnen leven. Maar, deze omgevingen worden conservatiever en geringer. Bovendien spelen er factoren als financiële middelen, kennisniveau, netwerk en mogelijkheden op de arbeids- en woningmarkt een rol bij de toegang tot deze specifieke omgevingen.

Politique de traitement

La politique définie par le commissaire général se fonde sur une analyse approfondie d’informations récentes et détaillées sur la situation générale dans le pays. Ces informations ont été recueillies de manière professionnelle auprès de diverses sources objectives, dont l’Agence de l’Union européenne pour l’asile (AUEA), le Haut-Commissariat aux réfugiés des Nations unies (HCR), des organisations internationales de défense des droits de l’homme, des organisations non gouvernementales, ainsi que la littérature spécialisée et les médias. Pour définir sa politique, le commissaire général ne se fonde donc pas exclusivement sur les COI Focus publiés sur le site du CGRA, qui ne traitent que de certains aspects particuliers de la situation du pays. Le fait qu’un COI Focus date d’un certain temps déjà ne signifie donc pas que la politique menée par le commissaire général ne soit plus d’actualité.

Pour examiner une demande d’asile, le commissaire général tient non seulement compte de la situation objective dans le pays d’origine à la date de la décision mais également de la situation individuelle et des circonstances personnelles du demandeur. Chaque demande d’asile est examinée au cas par cas. Le demandeur d’asile doit montrer de manière suffisamment concrète qu’il éprouve une crainte fondée de persécution ou court un risque réel d’atteintes graves. Il ne peut donc se contenter de renvoyer à la situation générale dans son pays mais doit également présenter des faits concrets et crédibles le concernant personnellement.

Pour ce pays, il n’y a pas de note de politique de traitement disponible sur le site Internet du CGRA.

Land: 
Turquie