AANTAL VERZOEKEN
In 2025 dienden 34.439 personen een verzoek om internationale bescherming in bij de Dienst Vreemdelingenzaken. Dat waren er gemiddeld 2.870 per maand. Eind 2025 lag de instroom een pak lager dan tijdens de laatste maanden van 2024. Het aantal verzoekers in november (2.257 personen) was het laagste aantal sinds april 2023.
Het totaal aantal verzoekers ligt daarmee 13% lager dan in 2024 toen 39.615 personen een verzoek indienden en 3 % lager dan in 2023.
In 2025 waren de belangrijkste herkomstlanden van verzoekers om internationale bescherming Afghanistan, Palestina, Eritrea, de Democratische Republiek Congo en Turkije.
In 2025 dienden 6.865 personen een volgend verzoek om internationale bescherming in. Dat zijn er 6,1% meer dan vorig jaar. Procentueel bedraagt het aandeel volgende verzoekers 20% ten opzichte van alle verzoekers, in 2024 was dit 16,3%. Voor bepaalde landen uit de top-10 zoals Moldavië (50,7%) en Afghanistan (39,2%) blijft het aandeel volgende verzoeken erg hoog.
Er is ook een sterke daling van 45,5% vast te stellen van het aantal verzoeken van personen die reeds een beschermingsstatuut hebben in een andere EU-lidstaat en alsnog een verzoek indienen in België (2.629 personen in 2025 tegenover 4.825 personen in 2024). In 2025 registreerde de DVZ 1.673 verzoekers om internationale bescherming die verklaarden niet-begeleide minderjarige vreemdeling (NBMV) te zijn. Dat zijn er 35,5% minder dan in 2024. Na een leeftijdsonderzoek door de dienst Voogdij werden 702 personen onder hen als meerderjarig bestempeld. Dit brengt het aantal verzoekers die als NBMV beschouwd worden op 971. Nog niet alle leeftijdsonderzoeken werden afgerond. Onder de verzoekers om internationale bescherming die verklaarden niet-begeleide minderjarige vreemdeling te zijn bevinden zich 82,4% jongens en 17,6% meisjes. Het merendeel onder hen is afkomstig uit Eritrea (35,6%), Afghanistan (18,3%) en Guinee (8,3%).
Meer gedetailleerde informatie over de verzoekers kan geraadpleegd worden in de statistieken over internationale bescherming op de website van de Dienst Vreemdelingenzaken.
AANTAL BESLISSINGEN
In 2025 nam het CGVS 25.920 beslissingen, die betrekking hebben op 31.457 personen. Dat is 5,6% lager dan in 2024 toen het CGVS een record aantal van 27.471 beslissingen nam maar nog altijd beduidend meer dan de voorgaande jaren.
In 24.953 dossiers (30.352 personen) ging het om een eindbeslissing. In de overige 967 dossiers (1.105 personen) ging het om een ontvankelijkheidsbeslissing.
Het totaal aantal niet-ontvankelijkheidsbeslissingen dat afgelopen jaar werd genomen (6.790 beslissingen voor 7.444 personen tegenover 3.964 beslissingen voor 4.561 personen in 2024) lag 71,3% hoger dan in 2024. Meer specifiek is het verschil bij de niet-ontvankelijkheidsbeslissingen omwille van het reeds hebben van een status van internationale bescherming in een andere EU-lidstaat (de zogenaamde M-dossiers) nog groter: 3.761 beslissingen voor 4.124 personen in 2025 tegenover 611 beslissingen voor 834 personen in 2024. Dit soort dossiers vraagt een zeer specifieke benadering omdat hier in eerste instantie dient nagegaan te worden of de bescherming in de andere EU-lidstaat afdoende is. Deze dossiers worden door het CGVS prioritair behandeld. Mede door de ondersteuning van EUAA-experten kon het CGVS een zeer groot aantal van deze M-dossiers in 2025 op de planning zetten.
Het CGVS heeft in 2025 ook een specifieke actie op poten gezet om de achterstand weg te werken in dossiers waarbij de geldigheid van een beschermingsstatus omwille van redenen van openbare orde diende heronderzocht te worden. Dit resulteerde in een hoog aantal intrekkingen en opheffingen. Zo werd voor 171 personen een statuut ingetrokken (tegenover 48 in 2024). Voor 93 personen werd een statuut opgeheven (tegenover 28 in 2024).
In 2025 kende het CGVS in 28,4% van zijn eindbeslissingen een status van internationale bescherming toe. De beschermingsgraad lag daarmee lager dan de voorgaande jaren (47,8% in 2024 en 43,5% in 2023). Twee belangrijke factoren bepaalden dat de beschermingsgraad aanzienlijk lager lag:
- In 2024 nam het CGVS nog voor 2.774 personen uit Syrië een erkenningsbeslissing. Door de tijdelijke opschorting, die de eerste tien maanden van 2025 van kracht was, werden enkel beslissingen genomen voor Syrische personen met een status van bescherming in een andere EU-lidstaat. Sinds begin november werd de hervatting van de dossierbehandeling terug voorbereid en werden de eerste uitnodigingen voor een nieuw persoonlijk onderhoud verstuurd.
- De aanzienlijke toename van de behandeling van verzoeken met reeds een beschermingsstatus in een andere EU-lidstaat. Deze dossiers worden door het CGVS prioritair behandeld. In 2025 werden voornamelijk dossiers van Palestijnen met een beschermingsstatus in een andere lidstaat behandeld, met dus hoofdzakelijk beslissingen tot niet-ontvankelijkheid.
26,2 % van de eindbeslissingen waren beslissingen tot erkenning van de vluchtelingenstatus en 2,2% waren beslissingen tot toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus.
Wanneer we de niet-ontvankelijkheidsbeslissingen buiten beschouwing laten, bedraagt de beschermingsgraad voor 2025 39,1% (tegenover 55,5% in 2024). Afgelopen jaar kende het CGVS aan 8.987 personen een statuut van internationale bescherming toe.
Het hoogste aantal statussen van erkend vluchteling werd in 2025 toegekend aan Afghanen (1.432 personen), Palestijnen (1.266), Eritreeërs (1.209), Turken (668) en Somaliërs (376). Het hoogste aantal statussen van subsidiaire bescherming werd in 2025 toegekend aan Jemenieten (292), Eritreeërs (124) en Soedanezen (32).
De werklast op het CGVS bedroeg eind 2025 24.406 dossiers (31.085 personen) tegenover 26.119 dossiers eind 2024. Dit betekent dat het CGVS in meer dossiers een eindbeslissing kon nemen dan het aantal dossiers dat in de loop van 2025 door de DVZ aan het CGVS werd overgemaakt. In deze werklast zijn de dossiers voor wie de DVZ reeds een verzoek registreerde maar die nog niet aan het CGVS overgemaakt werden, niet inbegrepen. Na de registratie en het indienen van het verzoek organiseert de DVZ immers nog een kort gehoor. Ook onderzoekt de DVZ eerst of België wel de verantwoordelijke lidstaat is om het verzoek om internationale bescherming te behandelen (de zogenaamde “Dublin”-procedure). Pas wanneer men vaststelt dat België de verantwoordelijke lidstaat is, wordt het dossier overgemaakt aan het CGVS.
